Geforceerde ventilatie of niet?

Volgens de berekeningen voor vrijkomende gassen kan worden berekend of met de inzet van de gekozen batterijen en batterijladers een systeem van dampafzuiging of extra ventilatie nodig is (NEN-EN 50272). Hierbij zijn de volgende randvoorwaarden van toepassing:

  • Het laadstation ligt in een open, niet-afgesloten ruimte
  • Er is een natuurlijke ventilatie met een minimale luchtsnelheid van 0,1 m/s zoals beschreven in NEN-EN 50272-3
  • Merk en type lader (laadkarakteristiek)


Indien de ruimte wordt afgesloten, is de kans groot dat een systeem van geforceerde ventilatie noodzakelijk is. Vanaf 1 juli 2003 is voor elke arbeidsplaats die nieuw in gebruik is of wordt genomen, en voor elk deel van een bestaande arbeidsplaats die sindsdien is of wordt gewijzigd, een nieuwe paragraaf in het Arbeidsomstandighedenbesluit van toepassing; Paragraaf 2a " Explosieve atmosferen". Deze paragraaf bestaat uit de artikelen 3.5a tot en met 3.5f. De artikelen zijn de Nederlandse vertaling van de ATEX 137 richtlijn " veilig werken in een explosieve atmosfeer". Vanaf 1 Juli 2006 moeten alle arbeidsplaatsen aan de nieuwe wetgeving voldoen.

Juiste ventilatie betekent dat er geen dode hoeken zijn waar zich een explosief mengsel kan ophopen. Tevens dient de ventilatie gewaarborgd te zijn tijdens van het laden, of dient de lader te worden uitgeschakeld (automatisch of direct handmatig) als de ventilatie wegvalt. De LEL waarde wordt bereikt bij een waterstofconcentratie van 4 % (volume). Er is slechts een energie ontlading van 19mJ nodig om een ontsteking te veroorzaken bij deze concentratie. Een gebied van 0,5m rondom de batterij geldt als veiligheidszone.  

De waterstof moet via mechanische of natuurlijke ventilatie worden afgevoerd. De minimaal benodigde ventilatie wordt bepaald door de hoeveelheid vrijkomende waterstof bij maximale laadcapaciteit. Op basis van de NPR 3299 richtlijn wordt het minimale ventilatiedebiet als volgt berekend (formule overeenkomstig NEN-EN 50272-3):  
Q = 0,05 x n x Igas x Cn/100
Q = minimaal te ventileren debiet in m3/h
0,05 = constante in m3/Ah
n = aantal te laden cellen
Igas = laadstroom tijdens gasfase in A/100Ah
Cn = nominale capaciteit in Ah  

De NPR 7910-1 geeft aan dat een ventilatievoud van 4 gehaald moet worden.  

De ventilatie dient tijdens het laden gewaarborgd te zijn of het laden moet worden gestopt indien de ventilatie niet aanwezig is. Detectie van de ventilatie kan gebeuren middels flowdetectie. Een flowdetector schakelt bijvoorbeeld een potentiaalvrij contact op het moment dat de ventilator niet afzuigt. Dit signaal kan worden gebruikt voor het onderbreken van het laadproces. Met dit signaal kan ook een alarm lamp aan de buitenzijde van de laadruimte worden geactiveerd.